Anti-D immunoglobuline & Rhesus

Het merendeel (ongeveer 85%) van de vrouwen is Rhesus(D)-positief. Dit houdt in dat deze vrouwen de Rhesusfactor hebben. Bij de overige 15% van de vrouwen ontbreekt de Rhesusfactor. Deze vrouwen zijn Rhesus(D)-negatief.

Vooral bij zwangere vrouwen is de rhesusfactor van belang, aangezien deze kan leiden tot de rhesusziekte. Als een Rhesus(D)-negatieve zwangere vrouw een Rhesus(D)-positief kind verwacht, kan deze Rhesus(D)-factor van het kind aanleiding zijn tot het vormen van antistoffen door het lichaam van de moeder.

Tijdens de zwangerschap, maar vooral tijdens de geboorte, kunnen Rhesus(D)-positieve rode bloedcellen van het kind in de bloedbaan van de moeder terechtkomen. Omdat het lichaam van de moeder deze Rhesus(D)-positieve rode bloedcellen als vreemd herkent, maakt het Rhesus(D)-antistoffen aan. Vaak geschiedt dit pas na de bevalling en is de kans op problemen bij het eerste kind klein. Bij een tweede kind bestaat er een grotere kans op rhesusziekte. Door rhesusziekte kan het kind zowel tijdens de zwangerschap als na de geboorte ziek worden.

Ter voorkoming van deze verhoogde kans op rhesusziekte wordt er tijdens de zwangerschap bloed van je afgenomen. Voor de dertigste week van je zwangerschap weten we zo of we tegenmaatregelen moeten nemen. We doen dit middels een injectie van Anti-D immunoglobuline. Anti-D immunoglobuline ruimt in je bloedbaan gekomen Rhesus(D)-positive rode bloedcellen van je kind op, zodat je lichaam hier geen antistoffen voor aanmaakt. Dit noemen we de rhesusprik. Je wordt hierover tijdig geïnformeerd door een deskundige.

Wanneer je in week dertig van je zwangerschap een rhesusprik hebt ontvangen, wordt er na de bevalling bloed van je pasgeborene afgenomen. Als blijkt dat je pasgeborene Rhesus(D)-positief is, krijg je (moeder) nogmaals een rhesusprik.